Valerius

Bij ons in Amsterdam is de Valeriuskliniek voor velen de eerste assiociatie als je het over ‘Valerius’ hebt: “De Valeriuskliniek is een voormalige psychiatrische opnamekliniek gelegen aan het Valeriusplein in Amsterdam-Zuid“. “De kliniek werd opgericht op initiatief van de Vereeniging Christelijke Verzorging van Krankzinnigen en Zenuwlijders in samenwerking met de Vrije Universiteit en opende op 3 november 1910 haar deuren.

(Ik vermoed dat vele van jullie nu even terugdenken aan de Amuse ‘Wolfsheze‘, maar dat terzijde.)

Onder anderen de dichters Jan Arends, Gerrit Achterberd, Adriaan Roland Hols en Rogi Wieg waren er opgenomen, de kunstvervalser Han van Meegeren overleed er.”

Het zal je dus als trouwe lezer niet verbazen dat ik wel eens in de Valeriuskliniek geweest ben. Overigens misschien niet vanwege redenen die jij in gedachten had. De situatie was dat onze docent Neurologie – een medisch specialist – verbonden was aan die instelling, en ons daar een soort van rondleidde; onder andere bij een toen bepaald indrukwekkende CT-scan.

Maar goed, als je weet dat de Valeriusstraat en het Valeriusplein in de Concertgebouw-buurt staan, kom je al in een ander domein, namelijk dat van muziek. Valerius was “dichter en componist uit de Republiek der Zeven Nederlanden . Tegenwoordig is Valerius vooral bekend om zijn gedichten over het burgerlijke leven en patriottisme , en zijn bedelaarsliederen over de Tachtigjarige Oorlog

Valerius publicaties zijn ruim opgenomen in de bundel ‘Kun je nog zingen, zing dan mee.’ Ik heb – en refereer aan – de 41e druk, uit 1986. In het bijzonder wordt er gebruik gemaakt van zijn ‘Gedenck-Clanck’.

Valerius’ Gedenck-Clanck

Zijn belangrijkste werk is echter de verzameling bedelaarsliederen met deuntjes uit zijn Nederlandtsche gemenck -clanck over de Tachtigjarige Oorlog . Deze oorlog duurde van 1568 tot 1648 en Valerius geeft de stand van zaken op tot kort voor zijn dood” (ik vermoed hier een typo ‘gemenck –> gedenck, HvB).

Van de 10 liederen van Valerius in ‘Kun je nog zingen’ herken je mogelijk

  • Wilt heden nu treden
  • Merck toch hoe sterck

of de historische gebeurtenissen waar anderen van die 10 liederen naar verwijzen:

  • Onthoofding van Egmont, Hoorne en andere Nederlandsche Edelen
  • Inneming van Den Briel
  • Lied op het ontzet van Leiden

Kortom, er komen weer vage assiociaties met geschiedenislessen naar boven. En wat er nog doorwerkt, denkend aan ‘Het bekendste lied in de collectie is het Wilhelmus‘. In de amuse ‘Persoon van het jaar‘ noemde ik de nu actuele biografie van de hand van Rene van Stipriaan. Willem van Nassau vetrouwde een en ander niet; dit heeft voorkomen dat hij ook op de Grote Markt in Brussel is onthoofd. En er zijn vele, vele historische momenten in een periode van tachtig-jaar (!) oorlog; denk ook eens aan de Val van Antwerpen (die er toe leidde dat veel gegoeden naar Amsterdam vluchtten).

En, waar we een jaar geleden niet konden bevroeden dat er nu in Europa een oorlog op grote schaal plaats vindt, worden we geconfronteerd met het leed, het drame en de ellende die de Oekraïne oorlog met zich meebrengt. Net in een tijd dat er al 3 generaties geboren en opgegroeid zijn in een na-oorlogs tijdperk. Er komt een ongekende vitaliteit voor het verdedigen van hun vaderland naar boven.

Misschien vind je het woord vaderland wat archaïsch, maar je kunt het ook ruim zien, zoals in de compositie van Smetana ‘De Moldau’ in de Ma Vlast (Mijn Vaderland). Onderbreek het lezen van dit essay gerust om even hiernaar te luisteren:

Krijg je ook zin om naar Praag te gaan?

Denk je dat ze in Oekraïne wel eens bidden voor hun Vaderland?

Wij hebben in onze historie wel een lied dat daar aan refereert: uit Valerius’ Gedenck-Clanck (opgenomen in ‘Kun je nog zingen’) het lied “Bede voor het Vaderland”.

Uit 1585.

Stel je periode voor: Willem van Oranje is in 1584 doodgeschoten. Antwerpen is in 1585 gevallen. Hoe zou dat zijn?

Ik laat je het het horen op de tekst van ‘Kun je nog zingen’, gezongen door Aafje Heynis – waarschijnlijk in 1961. Er zijn overigens op YouTube meerdere mannenkoor- en orgel-versies beschikbaar; ook opgenomen in het Liedboek voor de kerken (1973) Gezang 412.

Aafje Heynis zingt

Overigens heb ik zo rond 1985 – 1986 uit mondelinge overlevering gemerkt dat veel historische (80-jarige oorlog) liederen in de jaren na WOII werden gebruikt en gezongen als zijnde ze speciaal van toepassing op de oorlog, en met name de bevrijding. Dat zal te maken hebben met het diepe verlangen je te onttrekken aan tirannie, knechting en wat dies meer zij, waardoor het universele aspect werd belicht.

Als zodanig is de ‘Bede voor het Vaderland’ ook breder gebruikt.

Ik heb geen relatie gevonden tussen bepaalde bijbelpassages en de Gedenck-Clanck, maar je komt het taalgebruik bijvoorbeeld wel tegen in:

  • Jesaja 40:22 Hij breidt de hemel uit als een doek en spant hem uit als een tent waarin men woont.
  • 2 Korinthiërs 5:1 Want wij weten, dat, indien de aardse tent, waarin wij wonen, wordt afgebroken, wij een gebouw van God hebben, in de hemelen, niet met handen gemaakt, een eeuwig huis.

Mensen met enige vorming op dat gebied zullen dan ook kunnen abstraheren van het letterlijke gebruik.

Zo ook het gebruik binnen Apostolisch Genootschap. Daar was men in WOII versneld vervreemd geraakt van de Duitse ‘moederkerk en haar gedachten’. Het gebruik van ‘Bede voor het Vaderland’ kun je daar dan ook breder opvatten.

  • Dit gebruik gaat minstens terug tot het Kerstspel van 1951; een belangrijk jaar omdat daarin toen de afsplitsing van de Duitse ‘moederkerk’ – en zelfstandige vorming van het genootschap – een feit was geworden. Er staat in het kerstpel; “Muzikale achtergrond: “O Heer, die daar des hemels tenten spreidt” (orgel).
  • En in ‘Ons Weekblad’ van 1952 wordt in een beschouwing over ‘Gelukkig zijn’ onder verwijzing naar Valerius genoemd dat je blij mag zijn dat je iemand(en) kent die je door bange tijden help(t)(en). Denk aan de slotregels:

“Hadd’ ons de Heer, Aan Hem zij d’eer, Alzoo niet bijgestaan,
Wij waren lang ’t was ons zoo bang, Al in den druk vergaan.

En dan in ruime zin, getuige de verslag-tekst:

Als wij nu tot beleving gekomen zijn, weest dan dankbaar voor dat wat Uw harte raakt! De verlosten en de dankbaren kunnen juichen. Wanneer Ik denk aan Hem, Die ons verlost heeft en in alle ellende terzijde heeft gestaan, denk Ik niét aan een bovenaards wezen … Neen, ik denk aan U!”

Dus dan wordt “Aan Hem zij d’eer” heel dicht bij: “Aan U zij d’eer”…

En, iets daarvoor, in het laatste levensjaar van J. Slok (toenmalig landelijk / eerstverantwoordelijk geestelijk verzorger – indertijd apostel geheten), komt dit lied terug in een Zangersbijeenkomst in 1983. Uit het verslag:

Nog ‘enkele weken’ en het is alweer Kerstfeest. Daarom wat muzikale hulp – en tevens attendering op de zin van het gezongene – bij de muzikale begeleiding van het Kerstspel. Wat ons het meest aansprak, Apostel, was Uw ontroering waarmee U het lied meebeleefde: “O Heer, die daar des hemels tenten spreidt.” De situatie van negentienzesenveertig én de gelukkige uitkomst van Uw vastberaden beslissing, trokken aan Uw geestesoog voorbij.”

Ter onderstreping van de kijk op ‘de mens’ als ‘aan u zij de eer’, deel ik je nog het volgende.

Uit mondelinge mededeling weet ik dat de geestelijk verzorger (toenmalig: Apostel) bij het zingen van dit lied wees naar de aanwezigen in de zaal: zij waren (zijn) degenen die de ‘hemels tenten’ spreiden. Wow.

Deze mondelinge mededeling kwam naar voren in reactie op een eerdere Amuse ‘Libelle Renske bedankt‘ waarin de mens fundamenteel en principieel als hemelschat wordt gezien en zo wordt benoemd. Zo wil ik ook naar mensen kijken.

========================

Amsterdam, 29 december 2022

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.