We moeten het beslist een keer over een-of-de napraatpapegaai hebben; dat gaan we in deze amuse niet doen. Een logische vraag is dan hoe ik bij dit woord kom. Even inleiden.
Vanwege mijn werk voor de Rijksoverheid ben ik nogal eens in Den Haag; dit keer liep ik door het Centraal Station.
Het zal niet bewust zijn, maar wat er wel goed verborgen is:
Nou moet ik meteen een bekentenis doen: ik neem wel eens een boek uit, maar zet er nooit een in (dat geldt ook voor al die goed bedoelde huisjes langs de weg met boeken erin) – maar dat terzijde.
Vorige week was er maar een schamele hoeveelheid boeken op de plank, dat los van de hoge kwaliteit…
“De reis van de voorganger” heb ik jaren terug al gelezen, dus die heb ik niet meegenomen.
Deze week liep ik – een gebeurlijkheid – weer langs, en viel mijn oog op een Schaak-lexicon. Dat is nog eens wat anders dan met Duo-Lingo van deze edele sport kennisnemen.
In het boek zat een krantenartikel van Max Pam, een Nederlands freelance-journalist, schaker, columnist, schrijver en programmamaker. Zijn artikel opent:
“Tachtig jaar geleden – om precies te zijn op 10 februari 1910, ’s middags om tien voor drie – kwam in Berlijn een einde aan een partij die misschien wel de beroemdste is uit de geschiedenis van het schaakspel: de tiende en laatste partij uit de tweekamp tussen Emmanuel Lasker en Carl Schletcher.”
We kunnen het artikel van Max Pam dus in 1990 situeren.
Nou ging het me eigenlijk helemaal niet om het schaakboek en het schaakartikel. Het ging mij om de advertentie die er op de achterkant staat:
Je ziet dat de prijs van het boek – uit 1990 – nog in guldens wordt vermeld.
Het boek bracht me weer even terug in de tijd. In 1990 was ik eerstejaar-student Neerlandistiek aan de Universiteit van Amsterdam. We kregen daar een inval-docent, aangezien de geplande docent voor een onderzoek naar Oostenrijk ging. Het vak – Moderne Letterkunde – werd overgenomen door Guus Middag. Over hem:
“Guus Middag (Haaksbergen, 1959) is een Nederlandse essayist, literatuurcriticus en columnist. Hij schrijft over Nederlandstalige poëzie in onder meer NRC Handelsblad en verzorgt rubrieken over taal en lied in het tijdschrift Onze Taal. In 1996 ontving hij de Gouden Griffel voor Ik maak nooit iets mee en andere avonturen (1995)“
Je zult meteen terug denken aan de amuse Gebeurlijkheid, waarin ik vertelde over de grote Robert Anker die docent op mijn middelbare school was. Ik reken tot de voordelen van het wonen en leren in Amsterdam dat je wordt onderwezen door mensen als Guus Middag en Robert Anker.
Een college dat me – na veertig jaar – nog bijstaat, is dat waarin Middag een gedicht behandelde welk hij ook heeft besproken in:
Op de achterflap staat als aanprijzing o.a.:
“Uiteindelijk is deze bundel vooral een pleidooi voor het kijken met het oog van een dichter , voor de poëtische sensatie. Een onbevangen en veelzijdig boek kortom, waardoor alle argwanende lezers, ook zij die de schoolbanken al lang ontgroeid zijn, geprikkeld en aangesproken zullen worden en waarvan ze bovendien veel kunnen opsteken: plezier in het lezen van gedichten bij voorbeeld.“
En dat wist Middag te bewerkstelligen.
Ik neem een stuk van zijn artikel “De moeder de vrouw bewaard” over – geen plagiaat (zie daarvoor mijn essay Icons), maar citaat. Van één van de dertig ‘kleine essays’ van Middag in zijn bundel citeer ik een gedeelte – en ga er daarmee vanuit dat ik geen copyright schend…
DE MOEDER DE VROUW BEWAARD
“Tot de bekendste moedergedichten uit de Nederlandse poëzie behoort ‘De moeder de vrouw’ van Martinus Nijhoff. In het alledaagse spraakgebruik wordt de vrouw des huizes ‘moeder de vrouw’ genoemd, maar het is de vraag of die betekenis hier meespeelt:
De moeder de vrouw
Ik ging naar Bommel om de brug te zien.
Ik zag de nieuwe brug. Twee overzijden
die elkaar vroeger schenen te vermijden,
worden weer buren. Een minuut of tien
dat ik daar lag, in ’t gras, mijn thee gedronken,
mijn hoofd vol van het landschap wijd en zijd –
laat mij daar midden uit de oneindigheid
een stem vernemen dat mijn oren klonken.
Het was een vrouw. Het schip dat zij bevoer
kwam langzaam stroomaf door de brug gevaren.
Zij was alleen aan dek, zij stond bij ’t roer.
en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren.
O, dacht ik, o, dat daar mijn moeder voer.
Prijs God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren.
“Op 18 november 1933 werd in Zaltbommel de nieuwe verkeersbrug over de Waal geopend. De ‘ik’ uit het gedicht (dat in 1934 verscheen) is kennelijk een dagje naar Zaltbommel gegaan om de brug te bekijken. Het is vreemd dat Nijhoff in regel 2 schrijft dat er twee overzijden zijn (dat is bij een rivier meestal het geval), en in in regel 4 dat de oevers van de Waal weer buren worden. Als je niet beter zou weten zou je denken dat hier een oude brug vervangen is door een nieuwe, maar dat is niet zo. Er was nog niet eerder een verkeersbrug geweest, maar pal ernaast lag wel al meer dan veertig jaar een spoorbrug.
Hoe dan ook, de brugtoerist drinkt er een kopje thee, leunt een tijdje achterover in het gras en wordt dan overvallen door een gelukzalig gevoel van weidsheid en oneindigheid. De aardse omstandigheden (de nieuwe verkeersbrug, een kopje thee) en het alledaagse taalgebruik (een minuut of tien, wijd en zijd, laat mij daar) verdwijnen naar de achtergrond. De ‘ik’ verneemt uit de oneindigheid een stem – een bijbels tafereel en een bijbelse formulering, die het niet goed mogelijk maken om bij deze regel niet aan de stem van God, of in ieder geval aan een stem uit het hogere te denken. Het is bovendien een stem zodanig dat mijn oren klonken, en ook dat is een bijbelse uitdrukking.
Het vervolg is nogal ontnuchterend. De stem uit de oneindigheid blijkt afkomstig van een schippersvrouw die psalmen zingend de Waal af komt varen. De dichter zou willen, zo staat in regel 13, dat daar zijn moeder, die kennelijk overleden is kennelijk de gewoonte had psalmen te zingen, voer. Net als in de eerste strofe gaat het gedicht hier van het aardse naar het hogere, van hier naar hiernamaals: van Bommel (regel 1) naar oneindigheid (regel 9) naar de overleden moeder die van gene zijde haar zoon oproept op God te blijven vertrouwen (regel 14).
De schippersvrouw vormt dus de brug tussen het aardse en het hemelse. Zij verbindt op haar manier twee overzijden die elkaar vroeger schenen te vermijden. Nu is ook duidelijk waarom Nijhoff in regel 4 schreef dat beide zijden weer buren worden; verkeerstechnisch klopt dat niet, psychologisch wel. De titel laat zich ineens ook goed verklaren: via de vrouw zingt de moeder haar zoon toe, in de vrouw herkent de zoonde moeder.
‘De moeder de vrouw’ is een intrigerend gedicht door de vreemde vermenging van een toeristische aanleiding en religieuze strekking, en van doordeweekse en zondagse taal. Misschien is het daarom een klassiek gedicht geworden; dezelfde combinatie vind je in meer klassiekers: ‘Domweg gelukkig in de Dapperstraat’ dichtte Bloem, en Dér Mouw: ‘k Ben Brahman. Maar we zitten zonder meid.’
Tot zover het gedeelte uit het essay van Middag – en je weet dat ik nabij de Dapperstraat ben opgegroeid.
Wellicht een mooie samenloop van omstandigheden dat je dit nog eens op de hand kunt nemen en op je in laten werken; die link tussen het religieuze en het humane. Dat in een week dat er geen nieuwe ‘wekelijkse inspiratie’ verschijnt.
==================================
Amsterdam, 7 augustus 2026






Mooi om eens te overdenken in de zee van ruimte in de vakantie.