Primeur

Wellicht heb je op basis van de titel van dit essay verwacht dat ik je tip over een goede beaujolais primeur; dat gaat het helaas niet worden. Dat had je ook kunnen weten, want deze komt pas op de derde dinsdag in november. Ik denk dat voor de Fransen de derde dinsdag in november net zo feestelijk is als voor ons de derde dinsdag in september (zie de amuse Prinsesjesdag). Je zult het voor nu nog even met een plaatje moeten doen:

En zelfs voor die andere primeur – van Herfstbok – is het formeel nog te vroeg; het is immers vandaag september, en de Herfstbok heet officieel er vanaf oktober te zijn. Ook hier worden je smaakpapillen dus ten onrechte geprikkeld;

Komt er dan helemaal geen primeur in deze amuse? Jawel, maar deze behoeft enige introductie, dus stay connected – het is immers een essay.

De primeur betreft wat ik jaren terug hoorde over de Nederlandse psychiater Piet Kuiper. Zie voor een korte beschrijving van hem Wikipedia. Je vraagt je natuurlijk af hoe ik bij Kuiper terecht kom. Dat zit als volgt; in de actuele weekbrief – voor zondag 29 september en 6 oktober, nr. 29 2019 (A. Wiegman) – wordt verwezen naar de weekbrief voor zondag 23 september 2001, nr. 37 (D. Riemers) met de zinsnede:

Eén wereld of geen wereld stond al boven de weekbrief na de aanslagen op 9/11

Je herinnert je nu waarschijnlijk dat ik al eerder naar de actuele weekbrief verwees in de amuse ‘Platina Eeuw‘.

Persoonlijk had ik verwacht dat er dit jaar verwezen zou worden naar de aanslagen op New York (en meer) in een weekbrief vóór 11 september – ik zinspeelde daarop in mijn amuse Waarom-Daarom. Maar goed, punt is dat het me niet om de aanslagen gaat, maar om het fragment over psychiater Kuiper in de weekbrief van 2001 (D. Riemers; die met als titel ‘Eén wereld of geen wereld‘):

“De psychiater prof. dr. P.C. Kuiper die ooit zelf leed aan een ernstige geestesziekte, schreef in het boek ‘Ver heen’ over het zoeken naar de zin van het leven. ‘Er zijn momenten dat je die helemaal niet meer ziet’ schreef hij.”

Bekijk gerust even een interview dat Adriaan van Dis met Piet Kuiper hield; daarin wordt onder andere het ‘standaardwerk’ Hoofdsom der psychiatrie van Kuiper gememoreerd.

Voor het gemak: het boek dat psychiater Kuiper over zijn eigen psychisch lijden schreef – ‘Ver heen‘ – en waar in de weekbrief uit 2001 naar verwezen wordt – is te vinden op:

https://www.dbnl.org/tekst/kuip036verh01_01/kuip036verh01_01.pdf

Ik neem er genoegen mee als je het even ‘diagonaal’ leest, maar om kort een beeld te schetsen, citeer ik uit de inleiding – door de behandelend psychiater (!) het volgende:

“Toen Kuiper naar mij werd verwezen, leed hij aan een ‘psychotische depressie’ (een vorm van depressie die gepaard gaat met waandenkbeelden). Hij had geen besef meer van de realiteit en was er van overtuigd niet depressief maar dementerend te zijn. Hij beschrijft dit alles in dit boek op een zeer beklemmende wijze: hoe hij psychotisch werd, hoe hij in die toestand de psychiatrische opnames in Amsterdam en ‘s-Gravenhage heeft ervaren en hoe hij uiteindelijk weer tot de realiteit terugkeerde. Niets van wat hij van zijn ziekte beschrijft is overdreven! Omdat hij er van overtuigd was niet depressief te zijn, zou een behandeling die op een depressie gericht was in zijn ogen ook niets kunnen uithalen. De ‘psychotherapeutische’ behandeling bestond in het begin dan ook in het hem laten inzien dat zijn toestand toch wel eens het gevolg van een depressie zou kunnen zijn. Pas daarna kon de daadwerkelijke behandeling beginnen, bestaande uit de combinatie van een bijzonder en welhaast vergeten medicijn (een zogenaamde MAO-remmer), gesprekken en activiteitentherapie, waarbij Kuiper voor het schilderen koos. Met name via het laatste kon hij geleidelijk aan zijn zelfvertrouwen weer opbouwen. Daarnaast bood de muziektherapie de mogelijkheid het emotionele leven te herontdekken.”

Kortom, het gaat om de tragiek van een psychiater die zelf ernstige psychische klachten kreeg, en dat aanvankelijk ook niet onderkende.

Voordat ik de primeur onthul, wil ik twee aspecten benoemen die mij opvallen bij het lezen van ‘Ver heen’.

Enerzijds de streng christelijke opvoeding, met wat we tegenwoordig ongepast gedrag van onderwijzers zouden vinden, en bijhorend godsbeeld voor hoe je je te gedragen hebt “[…] ik streng calvinistisch opgevoed.” en “Twee vaste thema’s die altijd bleven klinken en de boventoon voerden, ook in mijn ziekte, waren de dood en de angst voor de hel.”

Je kunt in de tekst van ‘Ver heen’ eens zoeken op ‘God’ en ‘dood’… Hoe zaken uit zijn jeugd doorwerken, beschrijft Kuiper als volgt:

“Toen ik verzwakt was door mijn ziekte, de koorts en de hoofdpijn, rees mijn moeder op in mijn innerlijk en sloeg met haar bijl de nek in van mijn zieleleven. Het waren haar geboden en normen, haar gedachten over seksualiteit die mij weer gingen beheersen en in mijn wanen kwam ik in de hel, waarin zij op zo’n kwellende manier geloofde. Kennelijk was ze, niettegenstaande al mijn pogingen de wereld anders te gaan zien dan zij, lang na haar dood, springlevend in mijn innerlijk aanwezig.

Dit preludeert op het ‘anderzijds’: de moeizame relatie met homosexualiteit. Dit tref je terug in een ‘verweer’ wat Kuiper geeft over wat hij een een leerboek geschreven heeft (‘Neurosenleer’), maar anderzijds mijns inziens ook in de schrijfstijl die hij hanteert c.q. de verwijzingen die hij maakt. Ik vind die ‘Reviaans’ aandoen. Ik zal de aspecten ‘moeizame relatie met homosexualiteit’ en ‘Reviaans’ illustreren met wat fragmenten.

Eerst betreffende het verweer van Kuiper over wat hij t.a.v. homosexualiteit heeft geschreven. Noteer daarbij dat Kuiper zich professioneel als fervent aanhanger van Freud ziet, ondanks het beeld “Freuds kijk op de mens is niet zonnig te noemen, eerder tragisch

“In de herfst van 1981 kwam ik voor een moeilijke situatie te staan. In de eerste versie van mijn Neurosenleer staat een zinsnede die als discriminatie van homoseksualiteit geïnterpreteerd kan worden. Mij bereikte een verzoek in het kader van ‘homostudies’ een voordracht te houden in het hol van de homoseksuele leeuw, men vergeve mij de metafoor, het COC.”

” Mogelijkerwijze ben ik ernaast geweest in hetgeen ik over homoseksualiteit in mijn boek schreef […]”

“Psychoanalyse en homofilie hebben veel met elkaar te maken gehad en zich veel met elkaar bemoeid. Nu doet de relatie denken aan een mislukt huwelijk. Voorts, schijnt het me toe dat ik de minst geschikte persoon ben om hier licht te laten schijnen omdat ik in enkele boeken passages over homofilie heb geschreven, die ik nooit meer zou schrijven”

Kuiper verwerft de sympathie van de lezer als hij samenvat:

“Ik kwam aldus tot het slot:
‘1. De psychoanalyticus, de psychiater dient zich niet tegen homoseksuele gevoelens op te stellen als tegenover een symptoom, dat tot verdwijnen gebracht moet worden.

2. De term “perversie” is in dit kader niet verhelderend.

3. Ik zou tenslotte nog eens willen waarschuwen tegen indelingen in groepen. De benaming “homoseksueel” met alle varianten vandien heeft een groot risico. Het is een kenmerk van gedrag dat over de persoonlijkheid, zijn manier van leven en beleven, in veel opzichten niets zegt. Je bent niet in de eerste plaats homo-, hetero- of biseksueel. Je bent jezelf en je houdt van een bepaald iemand, van bepaalde mensen. De indelingswoede van het mensdom is razend. Een mijner allerbeste vrienden pleegt te zeggen: “Als er naar homofielen wordt gekeken, wordt er niet alleen ingedeeld in de groepen: nichten, flikkers en poten, maar er wordt ook nog gevraagd wanneer je een vaste partner hebt: wie is het mannetje, wie het wijfje, net als bij gorilla’s.” We zouden ons kunnen trachten te bevrijden van oppervlakkige categoriseringen en beginnen met de vraag: wie is degene die ik hier voor me heb als levend mens en dus uniek. Hij of zij hoort niet primair tot een groep. Zoals hij of zij is, daar is er maar één van.

Dit wordt vrijwel direct gevolgd door:

Mijn uiteenzetting werd geaccepteerd, maar de discussie werd een kwelling. Er werd mij door de woordvoerster van een aantal meisjes verweten dat ik studenten het zakken voor hun doctoraalexamen wanneer ze niet de opvattingen uit de Neurosenleer over homofilie die kwetsend voor hen zijn, konden oplepelen.

De verworven sympathie komt hiermee in een vreemd daglicht te staan; tegenwoordig zou er zeker stampei over gemaakt worden, als de aantijging door meerderen ingebracht zou worden. In de media-aandacht c.q. nasleep van deze lezing meldt Kuiper:

Ik kan niet beoordelen aan hoeveel verhalen een eind kwam, aan één onderdeel niet: Kuiper houdt niet van vrouwen.

Dit wordt gevolgd door een uiteenzetting van Kuiper dat hij in de persoonlijke en zakelijke sfeer met veel vrouwen wel een goede relatie heeft. Echter:

“Uiteraard gold mijn sympathie niet zonder uitzondering alle vrouwen. Maar men kan toch een oprecht dierenvriend zijn en uit de buurt wensen te blijven van adders, schorpioenen en harpijen?

Ik laat het aan jezelf over hier iets van te vinden, of niet.

Reviaans vind ik de zinnen als:

Toen merkte ik hoe een goed en sympathiek uitziende jongeman trachtte zich een weg te banen door de menigte en aan een mijner tafelgenoten vroeg of hij niet ergens mocht zitten, al was het voor een enkel ogenblik, om het woord tot mij te kunnen richten.”

“Zodra ik hem in het oog kreeg, zag ik niemand en niets anders meer. Allen verdwenen in de verte.

Avonden met Allan doorgebracht waren ontspannend. We zagen veel films, pakkende westerns, vaak herhaalde malen. Ik had hem leren kennen toen hij eerstejaars student was. Hij viel me op, ik vroeg hem een paar uur voor me te poseren opdat ik een portret van hem kon trachten te schilderen.

Op spanningen tussen Allan en mij reageerde ik overmatig. Later zou ik mij afvragen of de heftigheid van mijn reacties zijn energie ontleende aan innerlijke conflicten, die mede oorzaak werden van mijn depressie.

En, betreffende zijn verblijf in de kliniek:

Een verpleegkundige met de wonderlijke naam ‘Troje’ zat de PSM voor, de benen ingenieus onder het lichaam gevouwen, enigmatisch glimlachend af en toe, en altijd vriendelijk.”

Direct gevolgd door:

“Met een verpleger, door mijn vrouw ‘de kleine broeder’ genoemd, kon ik het heel goed vinden. Hij was altijd druk bezig. ‘Massage van uw voeten helpt beter dan slaapmiddelen,’ zo zei hij. Hij masseerde me, smeerde mijn voeten eerst met olie in. ‘U moet vragen of er Johannes-olie wordt meegebracht, dat wordt helemaal opgenomen.’”

Wil je nog meer beeld krijgen, zoek dan in de tekst eens op zijn (denkbeeldige?) vriend ‘Allan’…

Het lijkt me nu een geschikt moment om te delen wat ik de ‘primeur’ heb genoemd. Dat is: ik heb ongeveer dertig jaar geleden vernomen – via via – dat Kuiper zelf homofiel was.

Het moet voor hem zeer schrijnend zijn geweest om bij zichzelf te constateren dat hij homoseksueel was: hij, die er eerst in die termen over had geschreven waarin het in termen van ‘ziekte’ werd beschreven. Ik heb geen publicatie gezien waarin zijn ontdekte seksualiteit bevestigd wordt, er is geen publieke ‘coming-out’ geweest.

Wat ik me afvraag, en veronderstel, is dat er mogelijk een relatie is geweest tussen zijn streng christelijke opvoeding met bijhorende seksuele moraal, en het dal waar hij door heen moest toen hij bij zichzelf zijn seksuele voorkeur moest toegeven. Met andere woorden, dat dit zijn psychisch lijden heeft gebracht. Maar dat is speculatief.

=================

Amsterdam, 27 september 2019

Eén gedachte op “Primeur

  1. Gon

    Van Wikipedia gepikt omdat ik het niet beter kan verwooden:
    “Homofiel is een ouderwets woord voor homoseksueel, dat in Nederland en België vanaf eind jaren veertig tot in de jaren zeventig in gebruik was. Sindsdien is het vervangen door homoseksueel, homo of gay.”

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.